Het huwelijk is in alle tijden en alle culturen steeds een zaak geweest van man en vrouw. Het behoort tot de natuurwetten dat enkel man en vrouw kunnen huwen.
De menselijke soort wordt (gelukkig) niet door de natuur beheerst maar wel door de cultuur. De samenleving wordt door mensen gemaakt. Het huwelijk evolueerde doorheen de tijd en is verschillend van cultuur tot cultuur (bv. in de Verenigde Staten waren tot in de jaren zestig interraciale huwelijken verboden).
Het huidige Westerse huwelijk is ondermeer het resultaat van het Romeinse recht, het Canonieke recht en het Germaanse recht. Het huwelijk anno 2000 is absoluut niet meer te vergelijken met het huwelijk van kort na de Franse revolutie. Het Westerse huwelijk is dan weer absoluut niet te vergelijken met het huwelijk in Afrika of in de Islam (bv. polygamie). Het huwelijk is dus geen vast gegeven, maar het evolueerde aanzienlijk doorheen de tijden en culturen. Er is geen ‘uniek’ huwelijk maar er bestonden/bestaan ‘huwelijken’.
Een mooi voorbeeld van die evolutie is de quasi-openstelling van het huwelijk voor holebi’s in Denemarken, IJsland, Noorwegen, Nederland, Zweden, Finland, Vermont (USA), Brazilië en Canada. In andere landen bestaat er een minimalere regeling voor samenwoners waar ook holebi’s toegang tot hebben zoals Portugal, Duitsland, Frankrijk, Hongarije en Zwitserland.
Bovendien is het een verkeerd uitgangspunt dat het huwelijk tussen man en vrouw tot de natuur zou behoren. Wat wel tot de natuur behoort, en duidelijk aan het huwelijk voorafgaat, is dat mensen (mannen en vrouwen maar ook mannen onderling en vrouwen onderling) met elkaar relaties aangaan, elkaars nabijheid zoeken.
Geen enkele cultuur kende huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht.
Er bestaat geen definitie van het huwelijk die geldt voor alle culturen (bv. op het eilandje Tory was het de gewoonte dat man en vrouw na het huwelijk bij hun eigen familie bleven wonen).
In andere culturen kunnen heel wat voorbeelden gevonden worden van huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht. Voorbeelden zijn te vinden bij de Samoerai-krijgers, in de Boeddhistische kloosters, in het No- en Kabuki-theater... waar langdurige maatschappelijk geaccepteerde relaties aangegaan werden met partners van hetzelfde geslacht. Andere voorbeelden zijn te vinden in literatuur over de Balkan (bv. de ‘gezworen maagden’) en over de berdaches bij de Indianen. In Afrika kwamen vrouwenhuwelijken voor (zo kon een onvruchtbare vrouw huwen met een vruchtbare vrouw om voor nageslacht te zorgen).
In de loop van de geschiedenis waren er nog nooit huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht.
Er bestaat geen definitie van het huwelijk die geldt voor alle tijden (bv. bij de Germanen was het nog mogelijk dat de bruid gekocht werd of weggeroofd, de echtscheiding stamt pas uit de Franse revolutie).
Er zijn erg veel historische voorbeelden te vinden van ‘huwelijken’ tussen personen van hetzelfde geslacht. In het Spartaanse leger werden ‘erastes’ en ‘eroomenos’ naast elkaar opgesteld. Ook uit de Romeinse tijd zijn huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht bekend: Keizer Adrianus en Antinoös, keizer Nero huwde met Sporus en later met Pythagoras, keizer Heliogabalus huwde met Zoticus... In zijn reisjournaal beschrijft Michel de Montaigne huwelijken tussen mannen die in 1578 afgesloten werden in Rome. Een ander fenomeen waren dan weer de vrouwen die zich als mannen gingen kleden om bv. aan werk te geraken. Een aantal van deze vrouwen waren officieel gehuwd met een andere vrouw.
Het niet openstellen van het huwelijk voor holebi’s is geen discriminatie. Het gaat immers niet om een ongelijke behandeling van ‘gelijke gevallen’ want aan het klassieke ‘heteroseksuele’ huwelijk zijn afstammingsrechtelijke gevolgen verbonden.
Het huwelijk dient onderscheiden te worden van de afstamming. Hetero’s die onvruchtbaar zijn, die geen kinderen wensen of die te oud zijn om kinderen te kunnen krijgen mogen een burgerlijk huwelijk afsluiten. Er is geen enkele vruchtbaarheidsvereiste gekoppeld aan het burgerlijk huwelijk. Ook bij holebi’s mag geen koppeling gemaakt worden tussen partnerschap en ouderschap. Tegen de achtergrond van het beginsel van de gelijke behandeling is er ook op dit vlak dus geen enkel objectieve grond meer om het bestaande huwelijksverbod voor personen van gelijk geslacht te handhaven.
In plaats van de openstelling van het huwelijk dient er een geregistreerd partnerschap te komen.
De holebi-beweging vraagt volledige gelijkheid. Een wetgever die het gelijkheidsbeginsel werkelijk ernstig neemt, kan niet anders dan het huwelijk openstellen. Het geregistreerd partnerschap is een ‘bijna-gelijk-maar-wel-apart’ regeling. Het houdt een twee-lokettensysteem in stand. Door het niet openstellen van het burgerlijk huwelijk spreekt de wetgever een negatief waarde-oordeel uit, ook als er daarnaast een min of meer gelijkwaardig tweede loket wordt geopend. De wetgever geeft daarmee aan dat homoseksuele en lesbische relaties tweederangs relaties zijn. Holebi’s hoeven geen genoegdoening te nemen met een tweede loket.
De erkenning van de gelijkwaardigheid van homoseksualiteit en heteroseksualiteit is trouwens ook goed nieuws voor lesbische vrouwen en homoseksuele mannen die niet willen trouwen. Het is bovendien van groot belang voor jongeren die zich bewust worden van hun homoseksualiteit.
Het huwelijk heeft ook een belangrijke ‘symbolische’ en ‘emotionele’ betekenis. De trouwdag is voor velen een hoogtepunt in hun leven en wordt jaren later opnieuw met feesten herdacht. In brede kring wordt aan het huwelijk een grote waarde toegekend.
Er bestaat geen voldoende groot maatschappelijk draagvlak voor de openstelling van het huwelijk.
Deze hypothese kan betwist worden want enquêtes die af en toe gehouden worden tonen aan dat het draagvlak in Vlaanderen al groot is en nog steeds groter wordt. Na de discussie over de invoering van de gemeentelijke registratie werd duidelijk dat Vlaanderen klaar is voor een volwaardige partnerschapsregeling voor holebi’s.
Een onderzoek gedaan bij 7385 leerlingen in Vlaanderen wees aan dat 83 procent van de leerlingen vindt dat holebi’s moeten kunnen trouwen.
Overigens moet een democratie ook respect en gelijkheid waarborgen voor de minderheden. Daar waar het gaat om wezenlijk onrecht mag het gebrek aan draagvlak niet als argument gebruikt worden om dat onrecht te laten voortbestaan. Wanneer een meerderheid van de bevolking anti-racistisch of antisemitisch zou zijn is dat nog geen rechtvaardiging voor de discriminatie van buitenlanders of joden.
Holebi’s willen niet trouwen
Een onderzoek door de Universiteit van Utrecht in 1997 bij 787 vlaamse holebi’s toonde aan dat 86 procent vindt dat holebi’s moeten kunnen trouwen. 53 procent van hen zegt zelf te willen trouwen.
De openstelling van het huwelijk zal in het buitenland bekritiseerd worden. België zal met de vinger gewezen worden.
Eerder werd al een volwaardige regeling voor holebi-partners ingevoerd in landen zoals Denemarken, IJsland, Zweden, Noorwegen, Nederland, Finland, Brazilië en Canada. Geen enkel land werd met de vinger gewezen op grond van het uitwerken van een partnerregeling voor holebi’s.
Bovendien mag het gebrek aan buitenlandse steun nooit als argument gebruikt worden om onrecht en discriminatie in stand te houden in eigen land.
Er bestaan reeds regelingen zoals de tontine en de lagere successietarieven.
Bij tontine zijn er grote nadelen: bv. in geval van onenigheid tussen de partners, in geval van een groot leeftijdsverschil tussen de partners... Bovendien gaat het slechts om een heel partiële regeling (de aankoop van een onroerend goed).
Om van elkaar te erven er is nog steeds een testament nodig en men kan de reservataire erfgenamen niet onterven.
Bovendien gaat het om erg ‘asociale’ regelingen. Zaken als de tontine en het testament zijn erg ingewikkeld. Het huwelijk daarentegen biedt een globaal pakket waarin alle rechten en plichten duidelijk omschreven zijn zodat men niet eerst alles moet uitzoeken.
Een holebi-huwelijk is overbodig, want er bestaat reeds de wet op de wettelijke samenwoning.
De wet op de wettelijke samenwoning bevat slechts een minimale regeling (bv. tussenkomst vrederechter, gemeenschappelijke aansprakelijkheid voor de schulden, delen van de lasten van het huishouden). Belangrijke aspecten zoals sociale zekerheid, verblijfsrecht en erfrecht worden niet geregeld door de wet op de wettelijke samenwoning. De wet is een ‘minimum minimorum’ dat geen oplossing biedt voor holebi’s en hun kinderen en dat geen gelijke rechten waarborgt.
De openstelling van het huwelijk zou door een deel van de bevolking in strijd worden geacht met de religieuze opvattingen.
In België zijn Kerk en Staat gescheiden. De openstelling van het huwelijk doet op geen enkele wijze afbreuk aan het kerkelijk huwelijk.
In het Nieuwe Testament staat overigens nergens enige veroordeling van homoseksuele relaties. De Amerikaanse historicus (wijlen) professor John Boswell toonde aan in zijn boek ‘Same-sex unions in premodern Europe’ dat tijdens de middeleeuwen de Rooms Katholieke en de Grieks Orthodoxe Kerk ‘broederschappen’ inzegenden. Er werden zelfs officiële ceremonieën uitgewerkt voor personen van gelijk geslacht. Volgens Boswell waren deze liturgische ceremonieën het gelijkgeslachtelijke equivalent van de heteroseksuele huwelijksceremonieën. In de liturgie waarnaar Boswell refereert werd vaak verwezen naar vriendenparen zoals Perpetua en Felicitatis, Serge en Bacchus, David en Jonathan en Ruth en Naomi.
Overigens zijn er heel wat katholieke priesters die in de praktijk ceremonieën voltrekken voor partners van hetzelfde geslacht. Daarnaast zijn er geloofsorganisaties (bv. in Nederland en de Verenigde Staten) die officiële inzegeningsceremonieën hebben voor partners van hetzelfde geslacht. Ook in België werd door ‘homo en geloof’ een inzegeningsceremonie uitgewerkt.
In het internationale privaatrecht zal de openstelling van het huwelijk niet erkend worden wegens strijdig met de openbare orde (het buitenland-argument).
Indien het openstellen van het huwelijk in België soms voor problemen zou zorgen in het buitenland, dan is dat nog geen reden om de betrokkenen de bescherming van het huwelijk te onthouden. Dit is geen doorslaggevend bezwaar. Het is enkel van belang wanneer bij het huwelijk een buitenlandse partner is betrokken of wanneer de partners in het buitenland (gaan) wonen. De betrokkenen dienen zich bewust te zijn van eventuele moeilijkheden bij vertrek naar het buitenland en ze moeten de mogelijke problemen zelf incalculeren in hun beslissing om al dan niet te huwen.
Huwelijken tussen partners van hetzelfde geslacht zijn immoreel.
Moordenaars, veroordeelde drugdealers, personen die hun partner mishandelen,... hebben het recht om te huwen. Homoseksuelen, die niemand kwaad hebben gedaan, mogen van overheidswege niet huwen. Er is geen enkel moreel systeem, geen enkele religie die homoseksualiteit sterker veroordeeld dan moord, verkrachting,... Niettemin behandelt de overheid holebi’s op het vlak van het huwelijk erger dan moordenaars, verkrachters,...
Als men het homohuwelijk toelaat, zal het aantal holebi’s toenemen.
Het ontstaat van homoseksualiteit is niet bekend. Het is wel duidelijk dat men er niet voor kiest om holebi te zijn of te worden. Homoseksualiteit is een gegeven: men stelt vast dat gedurende de hele geschiedenis en in alle culturen een min of meer stabiel blijvend percentage van de bevolking homoseksueel, lesbisch en biseksueel is. Door het huwelijk open te stellen wordt homoseksualiteit wel een groot stuk zichtbaarder. Dat kan de indruk wekken dat er meer holebi’s zijn. Het is echter een indruk: homoseksualiteit plant zich niet voort!
Holebi’s hebben geen vaste relaties.
Door de grote onzichtbaarheid van homoseksualiteit, het taboe,... was het lange tijd onmogelijk om in onze samenleving vaste relaties tussen twee partners van hetzelfde geslacht uit te bouwen. Daardoor zag je holebi’s ook niet zichtbaar naar buiten treden met hun relatie. De openstelling van het huwelijk zou trouwens een stimulans betekenen voor de stabiliteit van de relatie.
Uit onderzoek van John Vincke (Mannen met Mannen) bleek dat 62,5 % van de ondervraagde mannen een vaste relatie had. Uit het onderzoek bleek ook dat de partnerrelaties betrekkelijk stabiel waren: zo was 28,3% in de onderzochte groep reeds meer dan 5 jaar samen; voor 12,2% was dat reeds meer dan 10 jaar het geval. Een optelsom leert dat 40,5% van de mannen in de onderzochte groep die een vaste relatie hadden, al 5 jaar of langer samen waren (Mannen met Mannen blz. 60-61).
Het openstellen van het huwelijk vormt een bedreiging voor het instituut van het huwelijk.
Niemand wordt verplicht om met iemand te huwen van hetzelfde geslacht. Iedereen kan kiezen met wie hij huwt: iemand van gelijk of van verschillend geslacht.
Bovendien leidt het niet tolereren van homoseksualiteit in een aantal gevallen er toe dat homo’s of lesbiennes een heteroseksueel huwelijk afsluiten. Dit leidt bijna onvermijdelijk tot een echtscheiding. Het niet openstellen van het huwelijk is hier als het ware de échte bedreiging van het huwelijksinstituut.
Met het huwelijk mag men niet experimenteren.
Dit argument is een uiting van ‘provincialisme’. Huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht zijn geen experiment maar een maatschappelijk, langdurig bestaand gegeven in landen zoals Zweden, Denemarken, Noorwegen,...
Aanvankelijk (1989) was 72% van de Deense clerus gekant tegen het geregistreerd partnerschap. In 1995 bleek evenwel dat 89% van de Deense clerus voorstander was geworden (aan het geregistreerd partnerschap werden verschillende positieve effecten toegedicht: minder zelfmoorden, minder seksueel overdraagbare aandoeningen, minder promiscuïteit,...). Het ‘experiment’ had met andere woorden niet geleid tot enig maatschappelijk verval. In tegendeel, het werd ronduit positief beoordeeld.
Het huwelijk is een achterhaalde instelling. Waarom willen homo’s nog huwen?
Waarom willen hetero’s nog trouwen? Het is aan elke hetero of holebi zelf om uit te maken of ze in het instituut van het huwelijk willen stappen. We stellen vast dat de discussie over het afschaffen van het huwelijk voor hetero’s nog nooit gevoerd is, er is nog nooit een wetsvoorstel rond ingediend. Waarom dit argument dan wel gebruiken als holebi’s het recht vragen om te trouwen?
Zou men niet eerder moeten pleiten voor individualisering?
Individualisering van de rechten niet tegenstrijdig te zijn met de openstelling van het huwelijk. Men kan pleiten voor die openstelling én tegelijkertijd voorstander zijn van het recht op economische zelfstandigheid. De keuze tussen individualisering en huwelijk is een keuze die de holebi's ten onrechte wordt opgedrongen.
bron: FWH
Redacteur: Stefan
Datum: Wednesday, October 9 2002